Meneer Wasbeer kwam gisteren stilletjes binnen.
Hij begon als een paar aarzelende lijnen op ruw papier; een neus, wat ogen, een suggestie van oren. Niets gepland. Gewoon inkt die zijn weg vond.










Ik bleef langzaam tekens toevoegen. Stipjes werden vacht. Lijnen werden een gezicht. Ergens onderweg trok hij een trui aan. Meneer Wasbeer vond een bijzondere plek in mijn atelier.

Hij woont nu op de vensterbank, waar ik werk en de dag voorbij zie gaan. Het licht trekt langs hem. Het weer verandert achter hem. Hij kijkt stilletjes toe. Op de een of andere manier vond hij ook een plek in mijn hart.
Dat had ik niet gepland. Ik besluit meestal niet om me aan een tekening te hechten. Maar daar is hij heel aanwezig, geduldig, bijna alert. Alsof hij elk moment tot leven kan komen en tegen me kan beginnen te praten. Ik vraag me af of andere kunstenaars dit gevoel ook kennen. Dat moment waarop een personage ophoudt lijnen en papier te zijn en… gezelschap wordt.
Niet denkbeeldig op een kinderlijke manier.
Meer als een stille aanwezigheid. Een herinnering dat iets door mijn handen is gegaan en heeft besloten te blijven. Ik hoef niet dat hij iets betekent. Ik heb nog geen verhaal nodig. Het is genoeg dat hij er is. Misschien gebeurt dit wanneer we dingen langzaam maken, zonder er te veel van te vragen. Soms geven ze iets terug. Voor nu houdt Meneer Wasbeer de wacht vanaf de vensterbank. En ik blijf maken, benieuwd wat er nog meer stilletjes zal arriveren.






